| De historie van Didam |
|
Didam heeft niet altijd Didam geheten. In de loop der jaren veranderde de naam nogal eens. Het kwam voor als Theodem (828), Diedehun (1025), Diedeheim (1144), Thideheim(1200), Dhidehem (1234), Didem (1276), Dydem (1314), Dydem (1346), Dedem (1347), Titan (1373), Dydam (1382), Dieden(1437), Diedam(1444), Diedem (1449) en Diem (1568). Voor zover de geschiedenis is na te gaan werd in 1373 voor de eerste maal de naam Didam genoemd. |
|
![]() |
De natuurlijke gesteldheid van Didam lokte in de voorhistorie tot de vorming van een relatief dichte bebouwing. In het noorden en westen lagen broeklanden terwijl de rest bestond uit hogere gronden bedekt met bos en heide.Op de grenzen van hoog en laag ontstonden de eerste nederzettingen of buurtschappen namelijk Waverlo of Dijk, Greffelkamp, Loil en Holthuizen. |
|
Het
vijfde buurtschap ontstond
later rond de kerk en werd daarom ook wel Kerkwijk genoemd.Bij elke
buurtschap behoorde een veld of enk (bouwland) dat geheel was
afgerasterd. In elk buurtschap bestond een geërfde organisatie met
boerenrichters, die gemeenschappelijk gronden beheerden, sloten
schouwden, afrasteringen controleerde enz. Enkele havezaten bezaten
erfelijke boerrichterschap.Verder waren er nog drie bosmarken
die later tot een organisatie werden verenigd, nadat de Heer van den
Bergh het erfelijk holtrichterschap had verworven. Bovendien was er nog
een geërfde organisatie, die de watergronden in ‘De Oude Maat’
beheerde. Omstreeks 1680 verenigden de 5 buurtorganisaties zich tot een
geerfde-organisatie voor het hele kerspel Didam. De nog steeds
bewaard gebleven marke-boeken behoren tot de oudste van het land. .De
belangen van de Heren van Gelre en Kleef ontmoeten elkaar in Didam.
Daarom hadden beiden in Didam een militair steunpunt, namelijk kasteel
Didam (Gelre) en kasteel Loil ( Kleef). De heer van den Bergh verwierf
in 1388 de heerlijke rechten in Didam. Hij kocht in 1440 kasteel Loil.
Geleidelijk voegden zich andere Didamse bezittingen daarbij.achttien
adellijke woningen/boerderijen in Didam droegen de naam van havezate
meeste bekende momenteel is de fraai gerestaureerde havesathe De
Luynhorst. In 1609 werd het eens zo machtige slot Didam, de oude Meurse
toren afgebroken. Uit vroegere tijden zijn nog heel wat dingen bewaard
gebleven. Op de plaats van de Mariakerk werd in 1957 een onderzoek
verricht door de Rijksdienst van Oudheidkundig bodemonderzoek
hierbij werd o.a een vroeg middeleeuws grafveld gevonden. Vele
stenen bijlen waaronder hamerbijlen zijn vooral in Didam en Loil
aangetroffen. Verder werd er
op de Diemse hei een vuurstenen spa gevonden. Uit de Romeinse tijd is
tussen Didam en Loil een kruik gevonden en een vroeg middeleeuws
grafveldje en kogelpotscherven gevonden. Uit de late middeleeuwen zijn
tenslotte een penning van koning Hendrik 11 , geslagen tussen 1247 en
1278 en wat vondsten van kasteel Didam gevonden. Veel werk op
archeologisch gebied is verricht door wijlen schoolmeester/wethouder Nol
Tinneveld . Vrij recent zijn archeologische opgravingen gedaan op
het terrein Aalsbergen ( thans industrieterrein Kollenburg.)
Tijdens dit onderzoek is gebleken dat het terrein bewoond is geweest
gedurende de derde tot de zesde eeuw na Christus
Hierbij werden o.a. de resten van 5 boerderijen
met bijbehorende waterputten blootgelegd. Naast de boerderijen
stonden in deze periode gebouwen die
als werkplaats diende. Deze werden hutkommen genoemd.
In dergelijke gebouwtjes werd bijvoorbeeld doek geweven of wol
gesponnen. In
de 16e eeuw verrezen in Didam steeds meer havezaten
(versterkte hofsteden van adel), voornamelijk in de buurtschappen
Greffelkamp, andere in Waverlo (Dijk), Loil en Holthuizen. Deze meest
agrarische bedrijven trokken uiteraard veel personeel aan en de
werkgelegenheid in die branche heeft misschien het agrarische karakter
voor langere tijd bepaald. Als reactie op de hardnekkige landbouwcrisis
( laatste kwart van de 19e eeuw) zochten steeds meer mensen
werk in het bouwvak, hier en in het buitenland. Voor veel Didammers werd
het werken in de bouw hoofdbron van inkomsten. Voor een structurele
industralisatie is feitelijk pas echt sprake vanaf de jaren 60 van de
vorige eeuw. Doordat de landbouw in het verleden een belangrijke plaats
innam is het niet verwonderlijk dat reeds in 1920 een R.K. middelbare
land-en tuinbouwwinterschool werd opgericht (’s-zomers hadden de
boerenzonen veldwerk te doen.) Voor de hele regio heeft Didam hierin een
voortrekkersrol gespeeld. Maar ook andere vormen van onderwijs als het
Speciaal Onderwijs zijn nog steeds van regionale betekenis. Het was de
congregatie der Zusters van Jezus, Maria, Jozef (JMJ) uit ’s-Hertogenbosch die hier in 1877 startte met het
basisonderwijs voor meisjes, later gevolgd door patronaatswerk (1915) en
huishoudonderwijs in het Pius-X-complex aan de Kerkstraat. Daarna werd
werk gemaakt van het Buitengewoon Onderwijs voor meisjes, waarna ook de
congregatie van de fraters van Utrecht (in 1937) deze vorm van onderwijs
aan jongens ging doceren. Niet onvermeld mag blijven het zegenrijk werk
van de congregatie van de zusters van Sint Jozef uit Amersfoort, die in
1891 de ziekenzorg en bejaardenzorg in Didam ging verzorgen. Het
Albertusgebouw ( ja juist het pand waarin nu de O.V.D. is gehuisvest)
aan de Raadhuisstraat was tot 1966 in gebruik als algemeen ziekenhuis en
‘gasthuis’ voor bejaarden. In 1891 werd in Didam de eerste coöperatieve
roomboterfabriek buiten
Friesland opgericht. Van hieruit verspreidde deze activiteit zich over
heel Gelderland en de rest van Nederland. In 1897 werd in Didam de
eerste Boerenleenbank in Gelderland (en een van de eerste in Nederland)
opgericht. Veel zaken zijn
niet vermeld maar er bestaan inmiddels- dank zij de Oudheidkundige
Vereniging Didam – diverse historische publicaties,
herdenkingsuitgaven en fotoboeken, waarin aangetoond wordt dat Didam’s
verleden de moeite waard is om kennis van te nemen.
|
|